Felix Rutten OP

Er wordt wel gezegd dat je de dominicanenorde alleen kunt leren kennen en begrijpen als je de kloosters en huizen ter plaatste bezoekt. Landelijke provincies en internationale richtlijnen zijn allemaal mooi en nuttig, maar eigen kleur en gestalte krijgt het dominicaanse leven voor mij inderdaad door de mix van broeders die ‘door het lot’ op een bepaalde plaats samenleven: individuen met unieke talenten en al even eigenaardige onbeholpenheden die samen een gemeenschap en een huis laten bestaan, omwille van de verrezen Heer.

De manier waarop zij hun begeestering voor het evangelie, hun stokpaardjes, hun idee van waarheid en eigenwijsheid, hun liefde voor Christus en twijfel aan alles met elkaar unieke vorm geven is voorbij elke voordeur weer een ontdekking. Ik heb het geluk dat ik dat in drie communiteiten van binnen heb mogen meemaken: onze kloosters in Zwolle, Huissen en lang geleden het Albertinum in Nijmegen. Stuk voor stuk met inspirerende mannen, vroom en minder vroom geestelijk leven, studie, getijdengebed, al dan niet stilte, prediking en vele activiteiten voor het heil van de zielen. En allemaal dominicaans, al kan ik de gemene deler nog steeds niet precies benoemen.

Sinds september 2018 mag ik in het Mariaconvent in Berg en Dal wonen. Dat is lekker dichtbij de Radboud Universiteit waar ik Recht en Theologie aan het studeren ben; dichtbij een stad, waar wij dominicanen thuishoren, en toch met lange, echte stilte in huis. Maar dat is niet het belangrijkste. In dit huis wonen momenteel vier oudere broeders, neergestreken na een leven aan de uiteinden van de wereld. Op een of andere manier zijn ze erin geslaagd een thuis van dit huis te maken, met een hart waar gasten zich welkom voelen, met zorg voor elkaar, met het vermogen tot luisteren. Ze geven en krijgen vertrouwen van elkaar. Zo laten ze me mijn dag inrichten ten behoeve van de studieverplichtingen, en tegelijk aan het gemeenschapsleven deelnemen. Ik hoor er bij, ook al ben ik nog in vorming.

Hoe dat kan? Misschien omdat ze alle vier als missionaris zelf ook ooit ergens vreemd waren, een thuis zochten en maakten, daardoor oog hebben voor het welzijn van anderen en weten dat als de Heer het huis niet bouwt niets in stand blijft. Ze geven me en ik voel me thuis en daardoor kan ik die belangrijke zaken van het dominicaanse leven leren die je alleen door medebroeders overgedragen kunt krijgen: oog voor elkaars vreugden en verdriet, een oprecht geïnteresseerde geest en luisterend oor, broederlijke correctie, barmhartigheid voor elkaars kleinzieligheden, vechten en opnieuw beginnen en vooral, zoals een van hen laatst zei: hoe mijn vurig zelf te behouden.

Ik mag hier leren wat voor mijn gevoel de Heilige Augustinus bedoeld heeft in de eerste zin van zijn beroemde regel die ten grondslag ligt aan al onze ordeswetten: “Dit is het dan wat wij u in het klooster als levensregel voorhouden. Vooreerst de reden waarom ge bijeengekomen zijt: dat ge eensgezind samenwoont, een van geest en één van hart in God.”